EEN EILEIDER
(ook wel oviduct) is een deel van de geslachtsorganen van de vrouw. Het is een trechtervormig orgaan dat zich met het brede eind over de eierstokken heen buigt, en met het smalle uiteinde in de baarmoeder uitkomt. De functie van de eileider is het vervoer van de eicel of embryo naar de baarmoeder. De epitheelcellen die het oppervlak van de eileider bedekken, hebben trilharen die de eicel of embryo voortbewegen naar de baarmoederholte. In de eileider kan de bevruchting plaatsvinden.

EEN EIERSTOK
of ovarium is het orgaan in de vrouw waar de eicellen zijn opgeslagen. Via de eileider kan de eicel de baarmoeder bereiken.

EEN VROUW
heeft twee eierstokken die links en rechts naast de baarmoeder in de buikholte liggen. De eierstok zit vast aan enkele bandjes.

EEN OVARIUM
is amandelvormig en heeft een lengte tot 4 cm, breedte van 1,5 tot 2 cm, een dikte van 1 cm en wegen 2,5 - 7,5 gram. In een ovarium zijn twee lagen te onderscheiden, namelijk de schors (cortex) en het merg (medulla). In de cortex liggen de follikels met daarin de toekomstige eicellen (oöcyten). Het merg bestaat uit vaatrijk losmazig bindweefsel.